Artikel Tariq Ramadan
‘Voor de nieuwe wij-burger gaat het niet om de cultuur’
BYLINE: Tariq Ramadan
SECTION: OPINIE & DEBAT; Blz. 15
LENGTH: 1584 woorden
Als je wilt dat mensen erbij horen, moet je niet praten over ‘integratie’. Dat bevordert het idee dat mensen ‘anders’ zijn. Richt de aandacht liever op sociaal-economische factoren. En begin met het onderwijs.
Na de moord op Theo van Gogh en andere spanningen die voortvloeien uit de immigratie, leek Nederland in crisis. De samenleving leek te twijfelen aan haar liberale traditie en haar ‘multiculturalisme’. Maar in Rotterdam heb ik bevestigd gezien wat ik ook heb kunnen constateren in landen als Groot-Brittannië na de aanslagen van 7 juli 2005 of in Frankrijk na de discussie over de ‘islamitische sluier’ in 1989 en de rellen in de banlieues in 2005. Er bestaat een groot verschil tussen de alarmistische en pessimistische toon in het politieke debat op nationaal niveau en in de theorieën van bepaalde intellectuelen en sociologen die gehoor vinden in de hoofdsteden, en het concrete optreden van de autoriteiten op lokaal niveau. Rotterdam blijkt bijvoorbeeld een buitengewoon levendige en dynamische stad, met een aantal erg originele projecten waarover helaas te weinig wordt gesproken.
In het project Burgerschap en Identiteit hebben we besloten de nadruk te leggen op ‘het gevoel erbij te horen’. Daarbij zijn drie terreinen onderscheiden: het onderwijs, de arbeidsmarkt en ten slotte de media. Het onderwijs komt als eerste aan bod, in het rapport Brug van vertrouwen: Educatie: de eerste pijler, dat op 17 april wordt gepresenteerd.
Essentieel in het nadenken over dat ‘gevoel erbij te horen’, wat de Engelsen Sense of belonging noemen, is dat we kritisch kijken naar onze aanpak en zelfs ons woordgebruik. We zitten in ons beeld van de situatie al tientallen jaren vast in een vicieuze cirkel waaruit we ons beslist moeten bevrijden. Er wordt steeds op gehamerd dat het gaat om culturele en religieuze kwesties en dat de problemen van het ’samenleven’ zijn opgelost wanneer de ‘uit de immigratie afkomstige’ of zelfs ‘allochtone’ vrouwen en mannen eindelijk zijn geïntegreerd.
Men heeft moeite in te zien dat voor tal van burgers de religieuze en culturele integratie al een feit is. Honderdduizenden vrouwen en kinderen van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of andere afkomst – merendeels moslims – leven in Nederland en hebben geen enkel probleem met de wetten van het land of met zijn historische geheugen, en al evenmin met het functioneren van de instellingen alhier. Zij behoren tot de eerste, tweede of zelfs derde generatie en zíjn al ‘geïntegreerd’.
Als wij met betrekking tot die burgers blijven spreken van ‘integratie’, projecteren wij ideeën en onzekerheden op hen die zij al achter zich hebben gelaten. Bovendien voedt deze manier van denken het idee dat er een ‘andere bevolking’ bestaat, die nog niet tot de ‘onzen’ behoort. De mensen die moeten ‘integreren’ worden gezien als ‘binnenlandse vreemdelingen’.
Deze voorstelling van zaken is niet alleen onjuist, zij geeft ook een scheef beeld van de aard van de problematiek. Allereerst omdat de integratie al is gerealiseerd – of op een zeer breed front op het punt staat gerealiseerd te worden – en voorts omdat de integratie feitelijk geslaagd is op het moment dat er niet meer gesproken wordt over integratie. Het gaat er nu om een ‘post-integratieve’ benadering te ontwikkelen die de sociale verworvenheden en de volwaardige rechtspositie van burgers erkent, hoe verschillend hun afkomst ook is. Het lijkt paradoxaal, maar het is een heel concreet gegeven: je krijgt pas het gevoel ‘erbij te horen’ wanneer ‘integratie’ geen onderwerp van gesprek meer is.
Het ‘post-integratieve’ discours moet ons ook behouden voor een verkeerde diagnose van de problemen waarmee onze samenlevingen worden geconfronteerd worden.
Zeker, er zijn mensen – soms recente migranten – die nog steeds worstelen met de ‘culturele en/of religieuze integratie’. Maar daarmee hebben de nieuwe generaties burgers en inwoners niets te maken: die worstelen vooral met sociaal-economische problemen.
We moeten ons daarom gaan inzetten om de echte problemen op te lossen: scholing en schooluitval, sociale en economische uitsluiting, marginalisering, symbolische en ruimtelijke segregatie, en ten slotte structurele en institutionele discriminatie (scholen, arbeidsmarkt, woningen, ja zelfs de media).
Wij moeten niet langer in de val trappen sociaal-economische problemen op te vatten als ‘cultureel’ of door de islam bepaald.
Onderwijs moet ons helpen een brug te slaan tussen de culturele en religieuze kwesties en de reële sociaal-economische problemen die om een oplossing vragen. Daarom zijn wij in ons onderzoek begonnen met onderwijs en richten we ons pas daarna op de arbeidsmarkt. In het onderwijs worden een brede visie ontwikkeld en een meerdimensionaal beleid.
De voornaamste problemen zijn: de inhoud van het onderwijs, het profiel en de opleiding van de leerkrachten, de communicatieproblemen (tussen leerkrachten en leerlingen, tussen school en ouders, tussen ouders en kinderen), het gebrek aan betrokkenheid van de scholen bij de maatschappelijke omgeving, en het gebrek aan (rol)modellen en successstories.
Dat zijn de zaken die we moeten oplossen. Heel concreet: wat echt moet stoppen is de segregatie van onderwijsinstellingen en de tendens naar openbare of bijzondere scholen van één culturele kleur – scholen voor autochtonen, ‘zwarte’ scholen, religieuze scholen enz. Sociale vermenging, zowel in scholen als in woningen, is noodzakelijk maar niet voldoende. Ook de inhoud van het onderwijs moet aandacht krijgen, vooral de oudere en recente geschiedenis. Zo moet de bijdrage van islamitische wetenschappers en filosofen aan de ontwikkeling van de Europese identiteit een plaats krijgen, en moet positief onderwijs over de verscheidenheid van culturen die inmiddels de Nederlandse samenleving hebben verrijkt, tot het vaste pakket gaan behoren. Voeg daarbij, in de lessen over contemporaine geschiedenis, de erkenning van de bijdrage van vaders en moeders – de eerste generatie immigranten – aan de opbouw en de huidige economische rijkdom van het land. De gemeenschappelijke geschiedenis die wordt onderwezen moet plaats bieden aan alle feiten en herinneringen.
Om dat te bereiken, moet ook worden gedacht aan de herwaardering van het leraarsberoep, aan de opleiding van de leraren en, in alle scholen van de stad, aan hun profiel: zij moeten afkomstig zijn uit heel het culturele en religieuze spectrum van het land. Verscheidenheid moet niet alleen een realiteit zijn onder de leerlingen, maar ook onder de leerkrachten: die ontwikkeling zal de beeldvorming kunnen veranderen en tegelijkertijd de jongeren in het dagelijks leven nieuwe, tastbare rolmodellen voorhouden, en niet alleen maar sporters, zangers of politici.
Om de communicatie tussen school, ouders, jeugd en stad te verbeteren moeten dezelfde scholen die overdag de leerlingen onderdak bieden, zich ook openstellen voor de ouders. Ze moeten plaatsen worden waar geleefd wordt. Aan het eind van de dag of ’s avonds moeten er taalcursussen kunnen worden gegeven en andere sociale activiteiten worden aangeboden. Ook de vaders moeten er beslist bij betrokken worden.
Leden van de tweede of derde generatie zouden moeten worden ingeschakeld om migranten van de eerste generatie –of recente immigranten – te helpen. Er wordt onvoldoende gebruikgemaakt van de communicatieve en culturele vaardigheden van de jongste generaties. En dat terwijl zij door werk voor de gemeenschap niet alleen beter tot hun recht zouden kunnen komen, maar tevens een meer harmonieuze intrede in de Nederlandse samenleving, en communicatie tussen alle leden van die samenleving en de diverse generaties, mogelijk kunnen maken. De communicatie moet op veel punten beter. Daar moet met voorrang wat aan gedaan worden, om met succes de strijd te kunnen aanbinden met wantrouwen, achterdocht, isolement en zelfsegregatie.
Deze aanbevelingen aan de politiek en het onderwijs staan natuurlijk niet op zich. Van hun kant moeten de burgers die deel uitmaken van religieuze gemeenschappen, laten zien dat ze oprecht en blijvend betrokken zijn. In het godsdienstonderwijs moet het Nederlands worden geïntergreerd als officiële taal en moet rekening worden gehouden met de cultuur en de collectieve psychologie van het land. De imams in de moskeeën moeten meer en meer in Nederland worden opgeleid, en de besturen van de moskeeën moeten meer en meer vrouwen en jongeren opnemen. Participatie van de ouders in de ouderraden, betrokkenheid van de vaders bij de begeleiding van de jeugd, en het vermijden van het isolement van puur islamitisch bijzonder onderwijs – allemaal concrete maatregelen die ik in debatten in Nederland heb voorgehouden aan imams en leiders van islamitische organisaties.
In het onderwijs moet de nadruk liggen op een brede visie en op synergie in het veld, opdat de burgers die zich bewust zijn van hun rijke verscheidenheid, werkelijk het gevoel kunnen krijgen ‘erbij te horen’. Maar daarmee zijn we er niet. Een volgende stap is bezinning op het proces van marginalisatie en discriminatie, met name op de arbeidsmarkt. Wij zullen ons ook moeten bezighouden met de beeldvorming en de rol van de media bij de begeleiding en de daadwerkelijke verbetering van de sociale en politieke dynamiek. Niet om schuldigen aan te wijzen, maar om de problemen goed in kaart te brengen, burgers en samenwerkingsverbanden te mobiliseren en zo onze samenleving een betere toekomst te geven. Dat is de geesteshouding die ik al vijf jaar aanduid als de opkomst van de nieuwe ‘Wij’-burger.
SUBJECT: Education & Training (89%); Teaching & Teachers (80%)
LOAD-DATE: April 12, 2008
LANGUAGE: DUTCH; NEDERLANDS
NOTES: Filosoof en islamoloog. Hij vervult een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en verricht in opdracht van de gemeente onderzoek naar ‘burgerschap en identiteit’. Zijn laatste boek is ‘In de voetstappen van de Profeet’.; Tariq Ramadan is een van de deelnemers aan het debat donderdag 17 april over de segregatiekloof. Hij zal onder anderen in discussie gaan met filosoof Ad Verbrugge. Dit debat, onderdeel van de serie ‘De stad als laboratorium’, wordt georganiseerd door NRC Handelsblad en de Rotterdams Raad voor Kunst en Cultuur. Rotterdam, Cinerama, Westblaak 18, aanvang 20u.; Meer informatie over deze reeks debatten via selectie.nrc.nl of www.rrkc.nl; Bied positief onderwijs aan over de verscheidenheid van culturen; Imams, vermijd het isolement van puur islamitisch onderwijs; Gebrek aan coördinatie; Er zijn in Rotterdam heel veel projecten om actief burgerschap te bevorderen, concludeert Tariq Ramadan. Maar het resultaat valt regelmatig tegen. Dat komt door een gebrek aan coördinatie. Er gaat veel geld en menselijke energie zitten in een veelheid van projecten, maar “men lijkt geen globale visie te hebben ontwikkeld, geen gevoel voor prioriteiten”. Ramadan, die vorig jaar gasthoogleraar werd, heeft in Rotterdam niemand kunnen vinden die hem een duidelijk overzicht kon geven van de verschillende projecten en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Hoofdprobleem is volgens hem dat de gekozen politici te veel op de korte termijn denken en te veel bezig zijn met de eerstvolgende verkiezingen.
GRAPHIC: Kinderen van de Bloemhofschool in Rotterdam tijdens het speelkwartier. ‘Verscheidenheid moet niet alleen een realiteit zijn onder de leerlingen, maar ook onder de leraren.’, Foto Dirk-Jan Visser
PUBLICATION-TYPE: Krant
Copyright 2008 PCM Uitgevers B.V.
All Rights Reserved
0 reacties so far ↓
There are no comments yet...Kick things off by filling out the form below.